In de nasleep van de Hamas-aanvallen van 7 oktober veroorzaakte een verklaring van een coalitie van studentengroepen aan Harvard grote verontwaardiging. De tekst ging verder dan kritiek op Israëlisch beleid; hij werd door velen gelezen als het vergoelijken, relativeren of contextualiseren van een massamoord op burgers door een terreurorganisatie. Voor veel Joodse studenten en alumni was dit geen academisch debat, maar een morele breuklijn.
Bill Ackman, alumnus van Harvard en prominente investeerder, reageerde publiekelijk en resoluut. Zijn optreden voltrok zich in drie duidelijke stappen.
Ten eerste verwierp Ackman het idee dat studenten via organisaties konden spreken zonder persoonlijke verantwoordelijkheid te dragen. Volgens hem was het gebruik van een groepsnaam een manier om verantwoordelijkheid te ontwijken. Wie achter zo’n boodschap staat, mag zich niet verschuilen. Anonimiteit werd hier niet gebruikt om kwetsbare meningen te beschermen, maar om moreel beladen standpunten aan controle te onttrekken.
Ten tweede plaatste hij het vraagstuk expliciet in het kader van werkgeversverantwoordelijkheid. Ackman stelde dat bedrijfsleiders een legitiem belang hebben om te weten of potentiële werknemers zich publiekelijk hebben verbonden aan verklaringen die terroristisch geweld ondersteunen of vergoelijken. Hij zei openlijk dat hij niet “per ongeluk” mensen wilde aannemen met dergelijke opvattingen, en dat anderen in leidinggevende functies daar net zo over dachten. Dit was geen oproep tot strafrechtelijke sancties, maar tot transparantie bij reputatie- en ethische afwegingen.
Ten derde, toen de publieke reactie escaleerde, verduidelijkte Ackman wat zijn initiatief wel en niet inhield. Hij ontkende dat hij geheime zwarte lijsten samenstelde of intimidatiecampagnes coördineerde. Zijn kernpunt bleef ongewijzigd: publieke uitingen mogen niet zonder gevolgen blijven enkel omdat ze op een universiteitscampus plaatsvinden. Wie kiest voor radicale publieke standpunten, moet bereid zijn daar openlijk verantwoordelijkheid voor te dragen.
Los van online overdrijvingen en virale slogans berust Ackmans initiatief op een eenvoudig liberaal principe: publieke advocacy brengt publieke verantwoordelijkheid met zich mee. Vrijheid van meningsuiting betekent niet het recht om gevrijwaard te blijven van beoordeling, zeker niet wanneer die uitingen raken aan geweld, terrorisme of het collectief viseren van een volk.
Hier wordt Europa pijnlijk zichtbaar kwetsbaar.
Ook op Europese universiteiten spelen vergelijkbare dynamieken. Studentengroepen publiceren verklaringen die de grens vervagen tussen kritiek op Israël en het legitimeren van geweld tegen Joden. Joodse studenten melden vijandigheid, intimidatie en isolatie. Toch blijven instellingen opvallend stil. De reden is vrijwel altijd dezelfde: angst — voor GDPR, voor rechtszaken, voor beschuldigingen van repressie.
Europa heeft procedure tot verlamming gemaakt.
Privacywetgeving, oorspronkelijk bedoeld om burgers te beschermen tegen misbruik door staat en bedrijfsleven, is verworden tot een handig schild waarachter universiteiten en werkgevers morele keuzes vermijden. Door geen onderscheid te maken tussen privéleven en publieke politieke advocacy heeft Europa een omgeving gecreëerd waarin extremistische retoriek maximale bescherming geniet en minimale gevolgen kent.
Dit vermindert antisemitisme niet. Het versterkt het.
De kerninzicht achter Ackmans houding is geen Amerikaanse bravoure, maar morele helderheid. Samenlevingen functioneren omdat zij grenzen trekken. Zij zeggen dat sommige zaken aanvaardbaar zijn en andere niet. Wanneer instellingen weigeren die grenzen te trekken, schuiven zij het probleem door naar de marge — waar woede, ressentiment en polarisatie ongeremd groeien.
Europa hoeft de Amerikaanse stijl niet te kopiëren. Het heeft geen spektakel of sociale-mediatribunalen nodig. Maar het moet wel dezelfde fundamentele vraag onder ogen zien: moet publiek geuite steun voor terroristisch geweld, of retoriek die antisemitisme normaliseert, als moreel neutraal worden behandeld?
Als het antwoord nee is — en dat moet het zijn — dan moet Europa stoppen met doen alsof het benoemen van verantwoordelijkheid gelijkstaat aan vervolging. Universiteiten moeten erkennen wanneer erkende studentengroepen in hun naam spreken en zorgen voor transparantie over leiderschap en auteurschap. Werkgevers moeten reputatie- en ethische risico’s kunnen beoordelen zonder meteen van autoritarisme te worden beschuldigd. En GDPR mag niet langer worden misbruikt als universeel excuus voor institutionele lafheid.
Antisemitisme gedijt bij ambiguïteit. Het verzwakt wanneer samenlevingen helder spreken.
Bill Ackman riep niet op tot censuur. Hij riep op tot verantwoordelijkheid. Europa’s falen is niet dat het rechten waardeert, maar dat het is vergeten dat rechten gepaard gaan met plichten. Als Europa antisemitisme werkelijk wil terugdringen, moet het de moed hervinden om dat openlijk en rustig te zeggen en niet langer te schuilen achter papierwerk.
Ontvang het laatste nieuws
Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox:
