Het ontslag van voormalig aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC), Karim Khan, na een onderzoek naar beschuldigingen van ernstig seksueel wangedrag, heeft het vertrouwen in een van de belangrijkste internationale rechtsinstellingen ter wereld ernstig aangetast. Khan ontkent de beschuldigingen, en de juridische beoordeling daarvan staat los van de politieke gevolgen die erop volgden.
Toch roept zijn val een bredere vraag op die veel verder reikt dan het Internationaal Strafhof: wat gebeurt er wanneer publieke functionarissen die zelf onder persoonlijke of politieke druk staan, plots het middelpunt worden van uiterst zichtbare ideologische confrontaties?
Niemand kan als feit stellen dat Khans verzoek om arrestatiebevelen tegen de Israëlische premier Benjamin Netanyahu bedoeld was om de aandacht af te leiden van de beschuldigingen tegen hemzelf. Daarvoor bestaat geen bewijs. Maar de opeenvolging van gebeurtenissen roept onvermijdelijk vragen op. De geschiedenis leert immers dat personen die onder druk staan soms proberen het publieke debat te verleggen door zichzelf centraal te plaatsen in een groter moreel of politiek conflict.
Dit fenomeen beperkt zich niet tot de internationale rechtspraak.
De hedendaagse politiek beloont steeds vaker zichtbaarheid boven goed bestuur. Aanklagers, politici en activisten opereren in een wereld waarin controversiële standpunten en opvallende acties media-aandacht genereren, reputaties vormen en kritiek soms afweren doordat zij zich verbinden aan een grotere ideologische zaak.
New York biedt hiervan een ander voorbeeld.
Zohran Mamdani heeft een belangrijk deel van zijn nationale bekendheid opgebouwd rond sterk polariserende standpunten over Israël. Zijn aanhangers zien daarin een principiële houding. Zijn critici menen dat deze internationale kwesties de aandacht afleiden van de dagelijkse problemen waarmee New York wordt geconfronteerd, zoals de woningcrisis, openbare veiligheid, infrastructuur en de financiële gezondheid van de stad. Ongeacht iemands politieke voorkeur is de prikkel duidelijk: internationale controverses leveren vaak veel meer media-aandacht op dan het oplossen van ingewikkelde lokale problemen.
Ook België vormt een zorgwekkend voorbeeld.
De strafrechtelijke vervolging van Joodse mohalim die een brit milah uitvoeren – een van de oudste en meest fundamentele religieuze voorschriften binnen het jodendom – heeft internationale bezorgdheid en diplomatieke spanningen veroorzaakt. De Belgische autoriteiten stellen dat het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op de naleving van de wet inzake de uitoefening van de geneeskunde en dat deze regelgeving op neutrale wijze wordt toegepast. Critici, waaronder Joodse organisaties en buitenlandse diplomaten, menen echter dat deze vervolging de Joodse geloofsgemeenschap onevenredig treft, juist op een moment waarop het antisemitisme in Europa sterk is toegenomen.
In die context is het begrijpelijk dat vele Joden zich afvragen waarom schaarse middelen van het Openbaar Ministerie worden ingezet voor de vervolging van een eeuwenoude religieuze praktijk, terwijl antisemitische incidenten in België en elders in Europa een ongeziene toename kennen.
De bezorgdheid reikt verder dan België alleen.
In verschillende democratieën lijken politici steeds vaker te ontdekken dat scherpe standpunten over Israël of Joodse thema’s buitenproportioneel veel publieke aandacht opleveren. Voor sommigen vloeit dit voort uit oprechte overtuigingen. Voor anderen lijkt het een manier om mediabelangstelling te genereren, electorale steun te mobiliseren of zichzelf ideologisch te profileren.
Het probleem ligt niet in het voeren van een debat over Israël of over religieuze praktijken. Dat is eigen aan een democratie.
Het probleem ontstaat wanneer justitie of de politiek symbolische doelwitten lijken te kiezen omdat deze maximale zichtbaarheid opleveren, in plaats van omdat zij beantwoorden aan de meest dringende maatschappelijke prioriteiten. Zodra justitie verstrengeld raakt met politieke beeldvorming, begint het publieke vertrouwen af te brokkelen.
De zaak-Karim Khan toont hoe snel dat vertrouwen kan verdwijnen wanneer persoonlijke controverses samenvallen met uiterst gevoelige juridische beslissingen.
De Belgische vervolging van de brit milah toont hoe zelfs juridisch verdedigbare onderzoeken bijzonder controversieel kunnen worden wanneer zij plaatsvinden in een klimaat van toenemend antisemitisme en door een minderheidsgemeenschap worden ervaren als een disproportionele aanval op haar fundamentele religieuze vrijheid.
Het debat rond politici zoals Zohran Mamdani laat zien hoe internationale conflicten het publieke debat kunnen domineren, terwijl lokale bestuursproblemen naar de achtergrond verdwijnen.
Deze situaties verschillen juridisch, feitelijk en politiek van elkaar. Zij mogen niet zomaar met elkaar worden gelijkgesteld.
Toch illustreren zij gezamenlijk een bredere democratische uitdaging: instellingen verliezen aan legitimiteit wanneer burgers de indruk krijgen dat opvallende beslissingen – al is het maar gedeeltelijk – worden ingegeven door politieke belangen, mediabelangstelling of persoonlijk overleven, eerder dan door een onafhankelijke en onpartijdige afweging.
Justitie mag nooit een podium worden.
Evenmin zou het zo mogen zijn dat aanklagers of politici ontdekken dat de snelste weg naar publieke zichtbaarheid bestaat uit het plaatsen van Joodse instellingen, Joodse tradities of de Staat Israël in het middelpunt van controverses die gegarandeerd internationale aandacht trekken.
Een gezonde democratie vraagt om iets anders: leiders die gerechtigheid nastreven omdat het juist is, niet omdat het publiciteit oplevert.
Ontvang het laatste nieuws
Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox:
