Tachtig jaar na de vernietigingskampen van Auschwitz, Sobibor en Treblinka had men kunnen denken dat het antisemitisme in Europa definitief tot het domein van de geschiedenis behoorde. Niet omdat vooroordelen verdwenen waren, maar omdat de beschaving een grens had getrokken. De Holocaust was immers niet alleen een misdaad tegen het Joodse volk; zij was een confrontatie van Europa met zijn eigen morele afgrond.
Gedurende decennia leek die confrontatie een zekere maatschappelijke consensus te hebben voortgebracht. Antisemitisme werd niet noodzakelijk uitgeroeid, maar het werd gemarginaliseerd. Het leefde verder in de schaduw, in gefluisterde gesprekken, in complottheorieën, in politieke extremen en in verborgen ressentimenten. Het droeg een masker omdat het wist dat het maatschappelijk onaanvaardbaar was.
Sinds de gebeurtenissen van oktober 2023 lijkt echter iets fundamenteels veranderd te zijn. Niet zozeer omdat nieuwe ideeën zijn ontstaan, maar omdat oude ideeën hun schaamte hebben verloren.
De terugkeer van het verdrongene
De filosofe Hannah Arendt wees erop dat totalitaire ideologieën niet ontstaan uit het niets. Zij groeien uit latente tendensen die reeds aanwezig zijn in de samenleving. Wat verborgen blijft, verdwijnt niet noodzakelijk; het wacht vaak op een gelegenheid om zich opnieuw te manifesteren.
De gebeurtenissen in het Midden-Oosten hebben voor velen een dergelijke gelegenheid gecreëerd. Uiteraard is kritiek op het beleid van een staat legitiem. In een democratische samenleving moet elke regering onderwerp kunnen zijn van debat en kritiek. Maar wat sinds oktober 2023 op vele plaatsen zichtbaar werd, gaat verder dan politieke kritiek.
Plotseling werden eeuwenoude stereotypen opnieuw salonfähig. Joden werden niet langer beoordeeld als individuen, maar als collectief. Verantwoordelijkheden werden gegeneraliseerd. Loyaliteiten werden in twijfel getrokken. Oude beelden van macht, invloed, manipulatie en samenzwering keerden terug in een nieuwe taal, aangepast aan de gevoeligheden van de eenentwintigste eeuw maar herkenbaar voor wie de geschiedenis kent.
Het opvallende is niet dat dergelijke ideeën bestaan. Het opvallende is de afwezigheid van schaamte waarmee zij tegenwoordig worden uitgesproken.
Van schuld naar vermoeidheid
Misschien ligt de verklaring gedeeltelijk in de tijd zelf.
De generatie die de Holocaust heeft meegemaakt, verdwijnt. Met haar verdwijnen ook de levende getuigen die herinnerden aan wat er gebeurt wanneer haat zich institutioneel organiseert. Historische herinnering wordt steeds meer een intellectuele oefening en steeds minder een directe menselijke ervaring.
Collectieve schuld heeft bovendien een beperkte houdbaarheid. Samenlevingen die decennialang hun verleden hebben herdacht, ontwikkelen soms een vorm van morele vermoeidheid. Wat aanvankelijk herinnering was, wordt ritueel. Wat ritueel wordt, verliest geleidelijk zijn existentiële kracht.
In die leegte ontstaat een gevaarlijke verleiding: de overtuiging dat de lessen van de geschiedenis definitief geleerd zijn en daarom niet langer hoeven te worden bewaakt.
Maar geschiedenis leert precies het tegenovergestelde. Het kwaad keert zelden terug in dezelfde vorm. Het verandert van vocabulaire terwijl de onderliggende mechanismen dezelfde blijven.
De Belgische paradox
België vormt vandaag een bijzonder interessante casus. Het land dat zich terecht beroemt op zijn democratische traditie en zijn herinneringscultuur rond de Holocaust, ziet tegelijkertijd hoe anti-Israëlische retoriek steeds centraler wordt binnen bepaalde politieke en intellectuele milieus.
Vooral binnen delen van de radicale linkerzijde en bepaalde activistische kringen wordt met grote stelligheid verklaard dat men niet antisemitisch is, maar uitsluitend anti-Israëlisch of antizionistisch. Dat onderscheid is in theorie legitiem en noodzakelijk. Kritiek op het beleid van een staat behoort immers tot de kern van de democratische vrijheid.
Toch dringt zich een ongemakkelijke vraag op. Waarom lijkt Israël voor sommigen een morele obsessie geworden te zijn? Waarom worden op deze ene staat verwachtingen, veroordelingen en verontwaardigingen geprojecteerd die men zelden of nooit met dezelfde intensiteit toepast op andere conflicten, oorlogen of mensenrechtenschendingen?
Het probleem ligt niet in kritiek, maar in de selectiviteit van de verontwaardiging.
Wanneer één natie voortdurend wordt voorgesteld als een unieke bron van kwaad, wanneer historische context systematisch verdwijnt, wanneer Joodse gemeenschappen in Europa zich opnieuw bedreigd voelen telkens het conflict in het Midden-Oosten escaleert, dan rijst de vraag of men zich nog uitsluitend op het terrein van de politiek bevindt.
Dat betekent niet dat iedere criticus van Israël een antisemiet is. Dat zou een onhoudbare en onrechtvaardige stelling zijn. Maar het betekent evenmin dat iedere vorm van antizionisme automatisch vrij is van antisemitische onderstromen. Het zijn precies deze grijze zones die een ernstig intellectueel onderzoek vereisen.
De waarschuwing van Maritain
Reeds lang vóór de Holocaust begreep de Franse filosoof Jacques Maritain dat antisemitisme meer was dan een politiek vooroordeel. Voor hem was het een geestelijke ziekte van de beschaving zelf.
Maritain waarschuwde dat een samenleving die de Jood opnieuw tot zondebok maakt, uiteindelijk haar eigen morele fundamenten ondergraaft. Volgens hem richt de haat tegen de Jood zich niet alleen tegen een volk, maar tegen het principe van menselijke waardigheid waarop de beschaving rust.
Zijn inzicht blijft vandaag opmerkelijk actueel. Het gevaar van antisemitisme ligt immers niet alleen in wat het over Joden zegt, maar vooral in wat het onthult over een samenleving die opnieuw bereid wordt een minderheid als symbool van alle kwaad voor te stellen.
Maritain begreep ook dat antisemitisme zich zelden openlijk presenteert. Het verschijnt niet noodzakelijk als haat. Het draagt de taal van rechtvaardigheid, emancipatie, revolutie of morele verontwaardiging. Het verandert voortdurend van kledij, maar niet van wezen.
Misschien verklaart dat waarom zoveel Europese Joden sinds oktober 2023 niet alleen een toename van vijandigheid ervaren, maar vooral een gevoel van herkenning. Alsof iets wat decennialang verborgen bleef opnieuw zichtbaar wordt. Alsof het masker niet langer noodzakelijk wordt geacht.
De esthetiek van de verontwaardiging
Onze tijd wordt gekenmerkt door een permanente economie van verontwaardiging. Sociale media belonen niet de nuance maar de emotie. Niet de waarheid, maar de zichtbaarheid.
In een dergelijke omgeving wordt morele verontwaardiging een vorm van sociaal kapitaal. Men toont zijn deugdzaamheid door zich tegen vermeende daders te keren.
De grens tussen gerechtvaardigde kritiek en demonisering wordt daarbij gemakkelijk overschreden.
Het tragische is dat antisemitisme zich historisch altijd heeft weten aan te passen aan de dominante moraal van zijn tijd. Het presenteert zich zelden als haat. Het verschijnt veeleer als rechtvaardigheid, als emancipatie, als strijd tegen vermeende machtsstructuren. Juist daardoor is het zo moeilijk te herkennen voor wie ervan overtuigd is aan de kant van het goede te staan.
Het masker valt
Wat sinds oktober 2023 zichtbaar wordt, is daarom wellicht minder een geboorte dan een onthulling.
Veel mensen zijn niet antisemitisch geworden; zij ontdekken dat zij het maatschappelijk kunnen uiten zonder de gevolgen die vroeger vanzelfsprekend waren. Het masker valt niet omdat het gezicht veranderd is, maar omdat de omgeving het masker niet langer vereist.
Misschien is dat de meest verontrustende vaststelling van onze tijd. Niet dat antisemitisme terugkeert, maar dat het opnieuw respectabel dreigt te worden. Niet als openlijke haat, maar als een intellectueel en politiek discours dat zichzelf presenteert als vooruitstrevend, humanistisch of bevrijdend.
Wanneer oude vooroordelen zich kunnen verhullen als morele superioriteit, wordt hun herkenning des te moeilijker.
Een toetssteen voor de beschaving
De filosoof Emmanuel Levinas stelde dat de ethiek begint bij de ontmoeting met het gelaat van de Ander. Antisemitisme is in wezen de ontkenning van dat gelaat. Het reduceert de mens tot een symbool, een categorie, een abstractie.
Daarom is de strijd tegen antisemitisme nooit uitsluitend een strijd voor Joden geweest. Zij is een toetssteen voor de beschaving zelf. Een samenleving die opnieuw accepteert dat een minderheid collectief wordt beoordeeld, beschuldigd of ontmenselijkt, ondermijnt de fundamenten waarop haar eigen vrijheid rust.
Tachtig jaar na Auschwitz is de belangrijkste vraag dan ook niet waarom antisemitisme terugkeert. De geschiedenis leert dat vooroordelen nooit volledig verdwijnen.
De werkelijk verontrustende vraag is waarom zoveel mensen opnieuw menen dat zij het zonder schaamte kunnen uitspreken.
Misschien is dat de ware betekenis van deze tijd: niet de terugkeer van een vergeten haat, maar de onthulling van een haat die nooit werkelijk verdwenen was en die slechts wachtte op het moment waarop de beschaving haar waakzaamheid verloor.
En misschien zullen toekomstige historici over onze tijd schrijven dat het meest verontrustende verschijnsel niet was dat antisemitisme opnieuw verscheen, maar dat velen het niet meer herkenden zodra het zich presenteerde als een deugd. Dat is het moment waarop het masker werkelijk valt. Niet alleen bij degenen die spreken, maar ook bij een samenleving die opnieuw bereid blijkt weg te kijken.
Ontvang het laatste nieuws
Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox:
