De terugkeer van het verbodene: Le Soupçon Ordinaire van Alain Berenboom
Alexander Zanzer

Le Soupçon Ordinaire van Alain Berenboom verschijnt op een bijzonder verontrustend moment. Terwijl de Joodse gemeenschap in België zich steeds vaker afvraagt of een toekomst in het land nog mogelijk is te midden van een stijgende golf van antisemitisme, publiceert Berenboom een roman die precies dat gevoel centraal stelt: het sluipende besef dat wantrouwen opnieuw normaal wordt. Wat het boek zo ongemakkelijk actueel maakt, is dat de dystopie die het beschrijft niet langer volledig fictief aanvoelt.

Le Soupçon Ordinaire is niet zomaar een dystopische roman. Het is een spiegel die Europa wordt voorgehouden, met al zijn oudste reflexen, verpakt in ironie, bureaucratie en stille angst. Wat de roman zo ontwrichtend maakt, is niet geweld of spektakel, maar juist de normaliteit. Wantrouwen wordt “gewoon” omdat de mechanismen van uitsluiting niet langer uitzonderlijk lijken. Ze worden administratief, beleefd en procedureel — en daardoor des te gevaarlijker.

De roman begint met wat een routinecontrole lijkt voor de bontzaak van Max Weingarten, een Brusselse bontverkoper van middelbare leeftijd wiens leven draait om routine, handel en discretie. Maar al snel verandert de scène in absurditeit. De politie interesseert zich niet voor misdaad, maar voor identiteit, afkomst, namen, symbolen en verborgen connecties. Max zelf begrijpt nauwelijks waarvan hij beschuldigd wordt. Hij praktiseert het jodendom niet, weet bijna niets over het jodendom en heeft zijn hele leven geprobeerd ideologie te vermijden. Toch volstaat de mogelijkheid van een Joodse afkomst om hem verdacht te maken.

Daar ligt precies het genie van Berenboom. Hij creëert geen klassieke totalitaire staat met marcherende laarzen en theatrale tirannie. In plaats daarvan schetst hij een toekomstig Europa waarin het jodendom officieel werd afgeschaft na decennia van wereldwijde conflicten rond Israël en het Midden-Oosten. De rechtvaardiging klinkt huiveringwekkend herkenbaar: sociale vrede, publieke harmonie en het wegwerken van verdeeldheid. De logica wordt juist angstaanjagend omdat ze zichzelf presenteert als humanitair. “Zonder Joden is er geen antisemitisme” wordt zo de groteske conclusie van zogenaamd verlichte beleidsmakers.

Berenboom begrijpt perfect dat moderne vervolging zich zelden presenteert als openlijke haat. Ze presenteert zich als regelgeving.

De kracht van de roman ligt in de manier waarop bureaucratische absurditeit langzaam de werkelijkheid verstikt. De “Code van de Vrijheden” — een paradoxaal juridisch kader dat zogezegd gelijkheid moet beschermen — criminaliseert uiteindelijk herinnering, identiteit en zelfs ambiguïteit zelf. Burgers vernietigen boeken om beschuldigingen van discriminatie te vermijden. De politie onderzoekt familienamen. Symbolen worden verdacht. Zelfs literatuur wordt gevaarlijk. Max geeft bijna achteloos toe dat hij Voltaire, Dickens, Philip Roth en zelfs de Bijbel heeft weggegooid om zich aan de nieuwe gevoeligheden aan te passen.

De ironie is vernietigend: een samenleving die geobsedeerd is door tolerantie wordt uiteindelijk intolerant tegenover herinnering zelf.

Stilistisch beweegt de roman zich ergens tussen Kafka en Philip Roth, met een sterk orwelliaanse ondertoon die diep geworteld is in specifiek Belgische absurditeit. Brussel wordt het perfecte decor voor deze administratieve dystopie: meertalig, bureaucratisch, uiterlijk beschaafd, maar onderhuids vol angst. De autoriteiten zijn geen monsters. Het zijn ambtenaren, inspecteurs, accountants en beleefde politieagenten die simpelweg procedures volgen. Precies dat maakt het verhaal geloofwaardig.

Berenboom onderzoekt bovendien een diepere filosofische vraag: wat blijft er over van Joodse identiteit wanneer religie verdwijnt? Doorheen de roman overleeft het jodendom minder als theologie dan als herinnering, cultuur, ironie, familiaal trauma en historisch reflex. Personages discussiëren over de vraag of men Joods kan blijven zonder geloof, zonder rituelen, zelfs zonder het te willen zijn. De protagonist verwerpt wanhopig het label dat hem wordt opgelegd, terwijl hij tegelijk steeds meer door die geschiedenis wordt ingehaald via familiegeheimen, verborgen archieven en geërfde angsten.

Die ambiguïteit geeft de roman een opmerkelijke intellectuele diepgang. Het jodendom is hier niet enkel een religie; het wordt een metafoor voor alle geërfde identiteiten die moderne samenlevingen tegelijk proberen uit te wissen en obsessief controleren.

Een van de sterkste thema’s van het boek is herinnering. Anne Frank, Kafka, verborgen synagogen, vergeten begraafplaatsen, gesloten musea — Berenboom toont een Europa dat probeert de Joodse aanwezigheid uit te wissen terwijl het er tegelijk door wordt achtervolgd. Het verleden weigert te verdwijnen. Hoe meer de autoriteiten het geheugen proberen te onderdrukken, hoe sterker het als een geest terugkeert. Het resultaat is een samenleving gevangen tussen vergetelheid en obsessie.

Humor speelt daarbij een essentiële rol. Zwarte, Joodse, uitgesproken Belgische humor loopt door het hele verhaal. Zonder die humor zou de roman ondraaglijk worden. De personages maken grappen over de catastrofe omdat ironie het laatste toevluchtsoord wordt tegen administratieve ontmenselijking. Zelfs tijdens verhoren overleeft de humor. En die overleving zelf wordt bijna een vorm van verzet.

Wat Le Soupçon Ordinaire bijzonder relevant maakt vandaag, is dat de dystopie nooit ver weg aanvoelt. De roman spreekt rechtstreeks over hedendaagse angsten rond surveillance, digitale identiteit, ideologische conformiteit en de omzetting van sociaal wantrouwen in institutionele procedures. Berenboom stelt een fundamenteel moderne vraag: is het in een wereld van databanken, archieven, sociale conformiteit en permanente zichtbaarheid nog mogelijk om in anonimiteit te verdwijnen?

Max Weingarten probeert wanhopig een gewone man te blijven. Dat is precies zijn tragedie. De staat weigert echter nog langer te aanvaarden dat iemand simpelweg “gewoon” kan zijn.

Uiteindelijk gaat Le Soupçon Ordinaire minder over Joden dan over Europa zelf — over een beschaving die overtuigd is van haar eigen tolerantie terwijl ze stilletjes de mechanismen van uitsluiting opnieuw opbouwt onder nieuwe namen en moreel verheven slogans. Berenboom herinnert de lezer eraan dat vervolging zelden begint met brute geweldpleging. Ze begint met classificatie. Met dossiers. Met formulieren. Met zogenaamd redelijke vragen.

En zodra wantrouwen gewoon wordt, verdwijnt vrijheid geruisloos.

Alain Berenboom heeft een van de intelligentste en meest verontrustende Franstalige dystopische romans van de afgelopen jaren geschreven. Het boek verdient het om gelezen te worden, niet alleen als fictie, maar ook als waarschuwing.

Ontvang Breaking News

Ontvang het laatste nieuws

Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox: