In een recent essay op Substack gaf de Amerikaanse commentator Mr. Green een scherp cijfer aan een gevoel dat steeds meer huishoudens herkennen. Volgens hem is 140.000 dollar vandaag de “prijs van participatie” in de Verenigde Staten. Met participatie bedoelt hij geen luxe of rijkdom, maar het minimale inkomensniveau dat nodig is om volwaardig deel te nemen aan de samenleving: toegang tot degelijke huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, mobiliteit en de mogelijkheid om zich voor te bereiden op het pensioen zonder permanente financiële onzekerheid.
Die formulering is krachtig omdat ze het debat weghaalt van ideologie en het terugbrengt naar economische realiteit. Participatie gaat niet over abstracte rechtvaardigheid, maar over betaalbaarheid. Wanneer deelname aan de samenleving onbetaalbaar wordt, ontstaat niet alleen ongelijkheid, maar uitsluiting.
Vanuit Europees perspectief – en in het bijzonder vanuit België – klinkt een inkomensdrempel van 140.000 dollar nog steeds buitensporig. België biedt vandaag nog participatie tegen een lager nominaal inkomensniveau. Met een bruto gezinsinkomen van ongeveer 60.000 tot 75.000 euro kan een huishouden doorgaans een stabiel leven uitbouwen. Gezondheidszorg is grotendeels collectief georganiseerd, onderwijs blijft betaalbaar en de welvaartsstaat vangt risico’s op die Amerikaanse gezinnen individueel moeten dragen. Maar dit ogenschijnlijke voordeel rust op een model dat steeds minder aansluit bij de mondiale economische realiteit.
De woningmarkt toont waarom het verschil kleiner is dan het lijkt. In de Verenigde Staten ligt de mediaanprijs van een woning inmiddels boven 400.000 dollar, met aanzienlijk hogere instapprijzen in economisch dynamische regio’s. In België liggen de mediane prijzen lager, rond 250.000 euro voor een appartement en tot 385.000 euro voor een vrijstaande woning. Op het eerste gezicht lijkt België duidelijk betaalbaarder.
Maar zodra belastingen en transactiekosten worden meegerekend, verkleint die kloof aanzienlijk. Belgische kopers worden geconfronteerd met hoge registratierechten, notariskosten en administratieve lasten. Bovendien drukt de zware belasting op arbeid het netto-inkomen en dus de leencapaciteit. In de Verenigde Staten is wonen duurder aan de voorkant, maar arbeid wordt minder zwaar belast en vastgoedtransacties zijn fiscaal lichter. In België wordt betaalbaarheid niet zozeer door de markt, maar door het belastingsysteem uitgehold. Gemeten in verhouding tot het beschikbare inkomen ligt de kost van woonparticipatie veel dichter bij het Amerikaanse niveau dan de cijfers op het eerste gezicht doen vermoeden.
Dit is geen detail, want het Belgische participatiemodel steunt op hoge belastingen op arbeid om sociale zekerheid te financieren. Dat model botst nu op twee structurele krachten die elkaar versterken: vergrijzing en artificiële intelligentie. De pensioen- en gezondheidskosten stijgen, terwijl de actieve bevolking niet meegroeit. De klassieke politieke reflex is voorspelbaar: hogere belastingen om bestaande zekerheden te behouden. Maar belastingen kennen grenzen. Wanneer ze sneller stijgen dan de inkomens, wordt participatie voor iedereen duurder. Formeel blijft de gelijkheid bestaan, maar tegen een lager levensniveau.
Tegelijk verandert artificiële intelligentie de aard van economische groei fundamenteel. Waardecreatie verschuift van menselijke arbeid naar kapitaal, technologie en schaal. In dat nieuwe landschap boekt de Verenigde Staten enorme vooruitgang. Het systeem stimuleert ondernemerschap, investeringen en kapitaalopbouw, terwijl huishoudens via pensioensparen en investeringen geleidelijk evolueren van werknemers naar investeerders. Participatie is duur, maar de weg ernaartoe sluit aan bij hoe de economie werkelijk waarde creëert.
Europa beweegt in de tegenovergestelde richting. In plaats van het sociale model aan te passen aan een wereld waarin arbeid minder centraal staat, probeert het de toekomst weg te reguleren. Artificiële intelligentie wordt omzichtig en beperkend benaderd, innovatie met wantrouwen, en ondernemerschap steeds vaker met fiscale druk. België is hier exemplarisch in, met hogere dividendbelastingen, de invoering van meerwaardebelastingen en een discours waarin kapitaalvorming wordt voorgesteld als een maatschappelijk probleem in plaats van als een noodzakelijke voorwaarde voor toekomstige participatie.
Die benadering miskent wat betaalbare participatie in een globale economie vandaag betekent. Participatie wordt niet langer uitsluitend lokaal gemeten. Ze is steeds vaker trans-Atlantisch. Kapitaal, bedrijven en talent vergelijken rechtsgebieden. Wanneer Europa de kosten van ondernemerschap verhoogt en de opbrengsten van innovatie vooraf afroomt, verdwijnt economische activiteit niet – ze verhuist. Het gevolg is een krimpende belastingbasis, minder hoogwaardige jobs en een hogere participatiedrempel voor wie achterblijft.
Europa’s klassieke antwoord – herverdeling via belastingen – werkt alleen in een sterk groeiende economie. In een omgeving met lage groei, waar artificiële intelligentie de vraag naar arbeid structureel verlaagt, kan belastingheffing geen participatie creëren. Ze kan hoogstens de neergang gelijkmatig verdelen. Wanneer arbeidsinkomen afneemt, blijft er simpelweg minder over om te belasten, en geen enkele regulering kan dat fundamentele feit veranderen.
De toekomst van betaalbare participatie vergt daarom een mentale en structurele omslag. In een economie waarin arbeid aan belang verliest, moeten samenlevingen participatie mogelijk maken via kapitaal: via sparen, investeren en eigenaarschap. Belastingvrije of fiscaal gunstige spaar- en investeringsmechanismen zijn geen cadeaus aan de rijken, maar infrastructuur voor toekomstige pensioenen en maatschappelijke stabiliteit. Wanneer spaargeld productief wordt geïnvesteerd, financiert het innovatie, versterkt het bedrijven en creëert het de rendementen die participatie mogelijk maken in een post-arbeidseconomie.
De vaststelling van Mr. Green dat 140.000 dollar de huidige Amerikaanse participatieprijs is, beschrijft het heden. Het risico voor Europa – en voor België in het bijzonder – is dat het een vergelijkbare drempel bereikt zonder het innovatievermogen, de kapitaalopbouw en de ondernemingscultuur die zo’n systeem leefbaar maken. De klassieke socialistische tegenstelling tussen arbeiders en eigenaars verliest haar betekenis in een wereld waarin artificiële intelligentie beide kan vervangen. Overleving vergt niet bescherming tegen kapitaal, maar brede toegang ertoe.
Betaalbare participatie in de toekomst kan niet worden afgedwongen door de toekomst weg te belasten. Ze moet worden opgebouwd – via innovatie, ondernemerschap en investeringen – op een schaal die overeenstemt met de technologische omwenteling waarin we ons bevinden.
Deze analyse werd opgesteld door Alexander Zanzer voor het Transatlantic Geopolitics & Technology Observatory.
Ontvang het laatste nieuws
Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox:
