Ambassadeur White & Belgisch Antisemitisme

Toen ambassadeur Bill White kritiek uitte op de groeiende aanvallen tegen het Joodse religieuze leven in België, probeerden velen zijn woorden weg te zetten als overdreven of provocerend. In werkelijkheid raakte zijn kritiek een veel diepere zenuw bloot: de ongemakkelijke waarheid dat de huidige vervolging van mohels wegens het uitvoeren van Brit Milah geen geïsoleerde juridische zaak is, maar deel uitmaakt van een lange historische continuïteit.

De sfeer is niet van gisteren ontstaan.

Nog maar recent besloot Antwerpen, aan het begin van Pesach — één van de heiligste momenten in de Joodse kalender — een eredoctoraat toe te kennen aan een controversiële voormalige VN-vertegenwoordiger die door Joodse organisaties en critici herhaaldelijk werd beschuldigd van openlijk vijandige retoriek tegenover Israël en van een gebrek aan gevoeligheid voor Joodse bekommernissen. Voor velen binnen de Joodse gemeenschap was de symboliek opvallend. Terwijl Joden hun bevrijding en continuïteit vierden, leek het Belgische academische establishment een figuur te eren die in hun ogen symbool staat voor aanhoudende vijandigheid tegenover de Joodse staat en Joodse gevoeligheden.

Voor veel Joden voelde dit niet toevallig aan. Het voelde als opnieuw een signaal dat antisemitisme en anti-Joodse vijandigheid steeds meer genormaliseerd raken binnen respectabele kringen.

Daarna kwamen de aanvallen op de koosjere slacht. België presenteerde het verbod trots als een progressieve maatregel, terwijl het negeerde dat shechita voor praktiserende Joden geen keuze is. Joodse leiders waarschuwden toen al dat zodra een staat fundamentele religieuze praktijken begint te verbieden, andere pijlers van het Joodse leven onvermijdelijk onder vuur zouden komen te liggen.

Ze kregen gelijk.

Vervolgens kwamen de publieke discussies over het beperken of zelfs volledig verbieden van Brit Milah, één van de oudste en heiligste rituelen binnen het Jodendom, teruggaand tot Abraham zelf. Vandaag is België aangekomen op het punt waar aanklagers mohels viseren — precies de personen die belast zijn met het bewaren van het verbond dat de Joodse identiteit al duizenden jaren in stand houdt.

Voor veel Joden voelt dit niet langer als een debat over kinderwelzijn of ethiek. Het voelt als een systematische poging om traditioneel Joods leven onmogelijk te maken.

Ambassadeur White begreep iets wat een groot deel van het Belgische establishment nog steeds weigert te erkennen: deze zaak is slechts de laatste druppel in een emmer die al lang overvol is van historisch onopgelost antisemitisme.

België is nooit volledig in het reine gekomen met zijn oorlogsverleden.

Tijdens de Holocaust vervoerden de Belgische spoorwegen Joden naar deportatiekampen onder de nazi-bezetting. Voor iedere gedeporteerde Jood ontvingen de spoorwegen naar verluidt een vergoeding van de Duitse autoriteiten — ongeveer vier Reichspfennig per kilometer per gedeporteerde Jood. Omgerekend naar vandaag gaat het om tientallen miljoenen euro’s. Toch blijft het debat over volledige verantwoordelijkheid en compensatie pijnlijk onvolledig.

Tegelijkertijd bevinden zich nog steeds meer dan duizend kunstwerken die van Joodse slachtoffers werden geroofd in Belgische musea. Decennia na de Holocaust wachten vele families nog steeds op echte restitutie, transparantie of gerechtigheid. Europa spreekt eindeloos over herinnering, herdenking en “nooit meer”, maar concrete onopgeloste vragen hangen nog altijd letterlijk aan museumwanden.

Het diepere historische patroon valt onmogelijk te negeren.

In de Middeleeuwen werden Joden in de Lage Landen beperkt, gesegregeerd, verdreven of vervolgd onder juridische en religieuze voorwendsels. In de moderne tijd volgde collaboratie tijdens de nazi-bezetting en de deportatie van meer dan 25.000 Joden vanuit België naar de vernietigingskampen.

Zelfs vandaag hebben Joodse scholen in Antwerpen en Brussel militaire bescherming nodig. Synagogen worden bewaakt achter betonblokken. Orthodoxe Joden melden regelmatig intimidatie enkel omdat zij zichtbaar Joods gekleed door het openbaar leven gaan.

Daarna kwam de terreuraanslag van 2014 op het Joods Museum in Brussel, waarbij vier onschuldige mensen werden vermoord door een islamistische extremist. België beloofde waakzaamheid. België beloofde solidariteit.

En toch opent de Belgische samenleving, in plaats van het vertrouwen van haar Joodse burgers te versterken, telkens opnieuw discussies over de vraag of Joden hun religie nog wel in haar traditionele vorm mogen beleven.

Daarom draagt de vervolging van mohels zo’n zware symbolische betekenis.

Verdedigers van deze maatregelen beweren dat “dit geen antisemitisme is”. Maar de geschiedenis leert Joden dat vijandigheid zelden begint met openlijk verklaarde haat. Ze begint met beperkingen. Met juridische technische discussies. Met morele rechtvaardigingen. Met de trage normalisering van het idee dat Joodse praktijken zogezegd onverenigbaar zouden zijn met de moderne samenleving.

Een land dat koosjere slacht verbiedt, debatteert over het verbieden van besnijdenis, mohels vervolgt, onopgeloste vragen rond oorlogsaansprakelijkheid laat bestaan, nog steeds worstelt met de restitutie van Joodse eigendommen en herhaaldelijk vijandige symbolische signalen uitstuurt naar zijn Joodse gemeenschap, kan beschuldigingen van structureel antisemitisme niet zomaar wegwuiven.

De opmerkingen van ambassadeur White verdienen daarom ernstige reflectie, geen verontwaardiging.

Want voor veel Belgische Joden is deze zaak niet het begin van een probleem.

Het is het moment waarop het opgestapelde gewicht van de geschiedenis onmogelijk nog te negeren werd.

Ontvang Breaking News

Ontvang het laatste nieuws

Abonneer je op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte! Ontvang als eerste het laatste nieuws in je inbox: